|
|
Related Links
De Belgische wet
Standpunt over Omgaan met Wet betreffende de rechten van de patiënt Brief van de |
Sean Murphy
Inleiding Een deskundige met kennis van zaken heeft later aan een commissie van het Britse Hogerhuis verteld dat minder dan 50% van de Belgische artsen en minder dan 80% van de bevolking voorstander van euthanasie was ten tijde van de indiening van de wet.2 Zowel hij als een andere Belgische commentator schreven de indiening en snelle aanname ervan niet toe aan door patiënten en de medische gemeenschap geuite wensen, maar aan de politieke situatie: een nieuwe regering en vervolgens een politieke crisis.3 Gezien deze omstandigheden is het niet verbazingwekkend dat een in december 2003 uitgegeven gemeenschappelijk Standpunt over medische beslissingen rond het levenseinde en euthanasie vergezeld ging van rapporten waarin werd vermeld dat veel huisartsen onbekend waren met de relatief nieuwe euthanasiewet of hier mee niet goed raad wisten en dat er "bij veel artsen" een "aangepaste attitude" nodig was.4 Het gemeenschappelijke standpunt was ondertekend door de Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen, het Academisch Centrum voor Huisartsgeneeskunde van de Katholieke Universiteit Leuven en de Vakgroep Huisartsgeneeskunde van de Universiteit Gent. In dit document stond een aantal beweringen die belangrijke vragen opriepen over de gewetensvrijheid onder medewerkers in de gezondheidszorg:
Daarom is het Project correspondentie over het gemeenschappelijke standpunt aangegaan met de aangewezen contactpersoon van de Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen.5 Helaas heeft de Vereniging na een eerste reactie6 niet gereageerd op verdere pogingen van het Project om de discussie voort te zetten.7 De correspondentie is in het Engels en het Nederlands beschikbaar om zo een internationale dialoog over dit belangrijke onderwerp aan te moedigen. Frequentie van euthanasie in België In 60% van de gevallen vond de euthanasie plaats in het ziekenhuis,10 waar ongeveer de helft van alle medewerkers in de gezondheidszorg werkzaam is.11 Hoewel dit erop wijst dat een groot aantal medewerkers in de gezondheidszorg met de procedure te maken krijgt, zijn artsen wettelijk gezien de enigen die euthanasie mogen toepassen.
Op basis van de cijfers in tabel A en het gemiddelde aantal van 30 gemelde gevallen van euthanasie per maand (360 per jaar), waaraan telkens minimaal twee artsen moeten meewerken, loopt een Belgische arts met praktijk gedurende een jaar minder dan 1% kans mee te werken aan euthanasie. Deze kans loopt in vijf jaar op tot 4%. Verder moet ook de situatie van apothekers in overweging worden genomen, want zij zijn degenen die de medicijnen voor euthanasie verstrekken.13 Op basis van het huidige aantal gevallen van euthanasie lopen de 11.775 Belgische apothekers elk jaar ieder 3% kans te worden gevraagd om medicijnen voor euthanasie te verstrekken: dat komt neer op 30% in tien jaar. Het is een interessant gegeven dat hoewel de nadruk tijdens discussies over euthanasie in de gezondheidszorg op artsen ligt, apothekers een veel grotere kans lopen te worden gevraagd om aan de procedure mee te werken. Bij deze schattingen wordt er geen rekening gehouden met factoren die ervoor zorgen dat deze kans op bepaalde locaties of in verschillende medische praktijken toe- of afneemt en ook niet met de mogelijkheid dat het werkelijke aantal gevallen van euthanasie twee tot vijf keer hoger ligt dan gemeld.14 "Een aangepaste attitude": euthanasie als palliatieve
zorg Het tweede beleidspunt in het gemeenschappelijke standpunt is ondubbelzinnig controversieel:
En verderop:
Dit is het doel van voorstanders van euthanasie zoals Michael Irwin, een Britse arts die geen praktijk meer mag uitoefenen omdat hij een ongeneeslijk zieke vriend heeft geprobeerd te helpen bij zelfdoding. Tegen een BBC-interviewer heeft hij het volgende verklaard: "Ik vind dat medisch begeleide zelfdoding onderdeel van goede palliatieve zorgverlening moet uitmaken."15 In zijn correspondentie met de Vereniging heeft het Project erop gewezen dat onder palliatieve zorg over het algemeen wordt verstaan "het verlichten van pijn en lijden, veroorzaakt door ziekte, opdat de patiënt aangenaam leeft tot het moment van overlijden" en dus niet het veroorzaken van het sterven van de patiënt, en dat de voorgestelde herdefiniëring van 'palliatieve zorg' aanzienlijke consequenties zou hebben voor iedereen die in de gezondheidszorg werkt. De Vereniging heeft hierop geantwoord dat ze het niet eens is met een dergelijke "dichotome visie (palliatie versus euthanasie)" en in plaats daarvan de voorkeur geeft aan een "ruimere" definitie waarin de "beleving van de patiënt" meer tot zijn recht kan komen. Bij wijze van uitleg, citeert de Verenging een in september 2003 afgelegde verklaring van de Federatie Palliatieve Zorg Vlaanderen (FPZV): Palliatieve zorg en euthanasie zijn alternatieven noch tegenpolen. Wanneer een arts bereid is het euthanasieverzoek in te willigen van een patiënt die ondanks de beste zorgen ondraaglijk blijft lijden, dan ontstaat geen breuk tussen de eerder door de arts gegeven palliatieve zorg en de nu door hem toegepaste euthanasie, integendeel. Euthanasie maakt in voorkomend geval deel uit van de palliatieve zorg waarmee de arts en het verzorgend team de patiënt en zijn/haar naasten omringt . . . Het lijkt erop dat deze verklaring16 een aanzienlijke verschuiving betekent ten opzichte van het oorspronkelijke standpunt van de Federatie, die er aanvankelijk van uitging dat palliatieve consultatie aan stappen ten behoeve van euthanasie vooraf dient te gaan, beperkt dient te blijven tot het bespreken van "mogelijke palliatieve alternatieven" en geen evaluatie van een euthanasieverzoek hoort te omvatten. Een van de redenen die werd gegeven voor deze scheiding van de verantwoordelijkheden, was om ervoor te zorgen dat het publiek euthanasie niet met palliatieve zorg zou verwarren.17 Gezien het feit dat de Federatie euthanasie nu als onderdeel van de palliatieve zorgverlening beschouwt, vindt ze dit onderscheid kennelijk niet langer van belang. Deze verschuiving wordt ook weerspiegeld in een bredere kijk op multidisciplinaire samenwerking. In eerste instantie bevorderde de FPVZ dit, omdat ze inzag dat geen enkele arts alleen palliatieve zorg kan verlenen en dat maar weinigen over voldoende kennis van zaken op het gebied van palliatieve geneeskunde beschikken om de patiënt adequaat advies te geven of om aan de behoeften van de patiënt te voldoen.18 Dit komt in het gezamenlijke standpunt van de Vereniging en de universiteiten nog altijd naar voren. Daarnaast wordt echter tweemaal de wens uitgesproken "te willen vermijden dat polariserende groepen ontstaan". Vermoedelijk worden hiermee de voor- en tegenstanders van euthanasie bedoeld. Er wordt dus gezegd dat er leden van het team palliatieve zorgverleners beschikbaar zijn voor consultatie betreffende euthanasie. Bovendien dient te worden opgemerkt dat de Vereniging en de universiteiten samenwerken met het LevensEinde Informatie Forum (LEIF19), dat door prof. Bart van den Eynden wordt beschreven als een groep van ongeveer 200 artsen die hun bereidheid tot euthanasie adverteren.20 Samengevat komt het erop neer dat de multidisciplinaire aanpak die oorspronkelijk met de noodzaak van assistentie bij palliatieve zorg werd geassocieerd nu ook artsen met kennis op het gebied van euthanasie omvat. De vervaging van de conceptuele grenzen tussen euthanasie en palliatieve zorg blijkt bovendien uit het voorstel van de FPZV dat een lid van het team palliatieve zorgverleners kan optreden als de tweede arts die volgens de Belgische wet moet worden geraadpleegd bij een euthanasieverzoek.21 Paradoxaal genoeg vindt de FPZV overigens dat palliatieve artsen geen euthanasie mogen plegen. Maar als euthanasie "deel uitmaakt van. . . palliatieve zorg" en een palliatieve arts inzake een euthanasieverzoek kan worden geraadpleegd, is het volkomen onduidelijk waarom palliatieve artsen niet rechtstreeks aan de procedure mogen meewerken. De beweegredenen voor deze scheiding van verantwoordelijkheden lijken niet erg samenhangend.22 Een dergelijke scheiding kan alleen worden gerechtvaardigd door handhaving van de scheiding tussen palliatieve zorg en euthanasie die de verklaring van de FPZV juist ongedaan maakt. In overeenstemming met de opvatting dat euthanasie deel uitmaakt van een "palliatieve totaalzorg" wordt in het gemeenschappelijke standpunt gepleit tegen de oprichting van euthanasieteams of -centra en tegen euthanasie als een behandelingsvorm die losstaat van alle andere soorten medische dienstverlening. In plaats daarvan wordt aanbevolen dat de tweede arts die tijdens het euthanasieproces wordt geraadpleegd "zeer deskundig moet zijn op het gebied van palliatieve zorg en meer specifiek op het gebied van de mogelijke medische beslissingen aan het levenseinde". Dit is in overeenstemming met het nieuwe standpunt van de FPZV dat de tweede arts lid van het team palliatieve zorgverleners kan zijn. Euthanasie tegenover palliatieve zorg
Ook in de definitie in de Oxford Textbook of Palliative Medicine wordt met geen enkel woord naar euthanasie verwezen. Hierin wordt palliatieve zorg omschreven als "de verzorging en behandeling van patiënten met een actieve, progressieve en vergevorderde ziekte bij wie de kans op genezing klein is en waarbij de zorg gericht is op de kwaliteit van het leven".25 De American Academy of Hospice and Palliative Medicine heeft het vraagstuk van euthanasie en hulp bij zelfdoding behandeld in een officiële verklaring waarin geen oordeel over de ethiek van de procedures wordt geveld, maar waarin wel wordt bevestigd dat "de juiste reactie op een verzoek tot medisch begeleide zelfdoding uitbreiding van de zorg met als doel het verlichten van lijden en niet het doelbewust bewerkstelligen van overlijden is".26 En de Canadese professor Margaret Somerville, de oprichtster van het McGill Centre for Medicine, Ethics and Law van de McGill University, verwerpt het concept van "euthanasie als de laatste fase van goede palliatieve zorg" en schrijft dat dit denkbeeld "een voorbeeld is van euthanasie in een 'medisch jasje' steken" om het zo ethisch gezien aanvaardbaarder en veiliger en dus minder gevoelig voor misbruik te maken. Bovendien worden de morele, ethische en juridische verschillen tussen euthanasie en goede palliatieve zorg verward, met name wat betreft noodzakelijke pijnbestrijding en weigering van behandeling die het leven verlengt. Somerville wijst erop dat er, als euthanasie al zou moeten worden toegepast, sterke argumenten zijn voor een algehele scheiding tussen de procedure en geneeskunde in het algemeen.27 Somerville's verklaring wijst er duidelijk op dat zij tegen euthanasie
is, maar haar mening wordt door ontelbare medewerkers in de gezondheidszorg
gedeeld en haar kijk op palliatieve zorg is duidelijk meer in
overeenstemming met de definitie van de Wereld Gezondheidsorganisatie, hoe 'dichotoom'
die visie met betrekking tot euthanasie ook is. Communicatie en geïnformeerde toestemming (informed
consent)
De Vereniging past het principe van 'informed consent' of 'geïnformeerde keuze' toe en wil dat artsen "alle mogelijkheden" met patiënten bespreken "zodat zij goed geïnformeerd voor euthanasie kunnen kiezen". In deze context wordt er ook een verband tussen euthanasie en palliatieve zorg gelegd:
Er wordt dus niet alleen verwacht dat artsen ingaan op het verzoek van een patiënt om informatie over euthanasie, maar dat euthanasie aan elke patiënt als optie wordt voorgesteld in wat omschreven kan worden als 'omstandigheden waarin het levenseinde nadert', ongeacht of de patiënt hiervoor belangstelling heeft geuit of niet. Dit komt op hetzelfde neer als eisen dat artsen abortus bespreken met elke vrouw die zwanger is. Net alsof elke zwangere vrouw zou moeten overwegen om abortus te plegen en er graag door haar arts aan wordt herinnerd dat het een mogelijkheid is. Natuurlijk moet een patiënt weten dat euthanasie een mogelijkheid is om er wel of niet voor te kunnen kiezen. De bewoordingen van het beleid, "zodat zij. . . kunnen kiezen voor euthanasie" en "om te vermijden dat. . . patiënten hun recht op een euthanasievraag wordt ontzegd", wijzen echter op een onevenwichtigheid en suggereren een grotere interesse in het verkopen van een onlangs beschikbaar gekomen procedure, dan in het geven van informatie zodat patiënten kunnen kiezen. Anderzijds kunnen deze bewoordingen erop wijzen dat men vreest dat patiënten zich niet bewust zijn van het feit dat euthanasie beschikbaar is, hoewel er zeer veel ruchtbaarheid aan de legalisatie van de procedure is gegeven en dit gepaard ging met de nodige controverse. In dat geval is er na verloop van tijd vanwege de groter wordende bekendheid van de wettelijkheid en beschikbaarheid van de procedure steeds minder reden om onwetendheid te veronderstellen. Er wordt vaak gesuggereerd dat artsen niet moreel aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het verstrekken van informatie aan een patiënt. Dat dat niet noodzakelijkerwijs waar is, blijkt wel uit de schorsing van een Britse arts vanwege het feit dat hij twee 'undercover'-journalisten had verteld hoe zij via buitenlandse orgaanhandel een donornier van een levende donor konden krijgen. De General Medical Council van Groot-Brittannië oordeelde dat hij weliswaar niet had deelgenomen aan de handel, maar dat hij het wel had aangemoedigd door er vragen over te beantwoorden.28 Kennelijk is de General Medical Council van mening dat artsen geen informatie of adviezen mogen geven die de patiënt de indruk kunnen geven dat het kopen van organen van een levende donor moreel of ethisch aanvaardbaar is. Het communicatieprobleem waarmee medewerkers in de gezondheidszorg die gewetensbezwaar tegen euthanasie hebben te maken krijgen, is dat ze moeten vermijden iets te doen of te zeggen dat niet in overeenstemming is met hun overtuigingen over de morele aard van de procedure, terwijl ze toch de informatie geven waartoe ze volgens de wet of de heersende ethische opinie verplicht zijn. De patiënt heeft het recht voor euthanasie te kiezen, maar gewetensbezwaarden willen die keuze over het algemeen niet positief beïnvloeden omdat dat hun persoonlijke integriteit geweld zou aandoen. Anderzijds moeten bezwaarden zich ervan bewust zijn dat zij de keuze voor euthanasie positief kunnen beïnvloeden door de patiënt van zich te vervreemden. Toch is de communicatie tussen arts en patiënt over euthanasie in België vermoedelijk minder gecompliceerd dan gelijksoortige communicatie over abortus in Noord-Amerika. Hoewel de Belgische Wet betreffende de rechten van de patiënt artsen verplicht patiënten over euthanasie te informeren,29 legt de Vereniging uit dat een bezwaarde arts het recht heeft de patiënt van zijn/haar morele standpunt op de hoogte te stellen en vrij is om zijn/haar morele bezwaren tegen de keuze van de patiënt kenbaar te maken. "Morele neutraliteit", zo schreef de Vereniging, "bestaat dus niet bij een euthanasievraag." In tegenstelling hiermee worden artsen in Noord-Amerika die tegen abortus zijn soms beschuldigd van onethisch en 'bevooroordeeld' gedrag omdat ze hun bezwaren aan een patiënt bekend maken. Soms krijgt men de indruk dat de beschuldigers willen dat de bezwaarden hun mening geweld aandoen door abortus voor te stellen als een moreel neutrale keuze.30 Dit zou het morele standpunt van de bezwaarde onder het mom van 'neutraliteit' tenietdoen ten gunste van het eigen standpunt. Professor J. Budziszewski, een adviseur van het Protection of Conscience Project, beschrijft dergelijke 'neutraliteit' als "autoritarisme te kwader trouw... een oneerlijke manier om een moreel standpunt te promoten door te doen alsof je geen moreel standpunt hebt".31 Wat dit betreft, is het goed om te zien dat er in België een meer open en eerlijkere aanpak wordt gehanteerd. Verplichte doorverwijzing van euthanasie In antwoord op vragen over het beleid van verplichte doorverwijzing verklaarde de Vereniging dat het voldoende zou zijn als een arts de patiënt erop wijst dat er een officiële telefonische 'hulplijn' is die informatie over het verkrijgen euthanasie en andere kwesties omtrent het levenseinde verstrekt, om te vermijden dat de patiënt "in de steek gelaten wordt". Hoewel dit een veel minder strikte eis lijkt te zijn, blijft het gemeenschappelijke standpunt ongewijzigd. Door de correspondentie te staken, heeft de Vereniging geweigerd uit te leggen wat het officiële standpunt van de gemeenschappelijke ondertekenaars is: verplichte doorverwijzing zoals uiteengezet in het gemeenschappelijke standpunt of de in deze brief voorgestelde 'hulplijn'-optie. Autonomie, informed consent (geïnformeerde toestemming)
en shared decision making (gezamenlijke besluitvorming) 'Autonomie', 'informed consent' en 'shared decision making' zijn termen die helaas vaak op dwingende wijze worden gebruikt door tegenstanders van gewetensvrijheid in de gezondheidszorg, met name wat anticonceptie en abortus betreft. Zo heeft een medisch student die niet bereid was abortus te plegen, orale voorbehoedsmiddelen voor te schrijven of patiënten voor deze diensten door te verwijzen een onvoldoende gekregen van een docent die verklaarde dat hij "[h]et recht van de patiënt op autonomie en deelname aan de besluitvorming" met voeten had getreden.33 De maatschappij criticus en rechtsadvocaat Iain Benson heeft deze eenzijdige kijk op autonomie bekritiseerd:
Het concept van 'shared decision making', dat in de context van het
gemeenschappelijke standpunt al te simpel is voorgesteld, is niet van
toepassing in geval van gewetensbezwaar. Er kan gezamenlijk overleg zijn,
maar als er een fundamenteel verschil is tussen wat de patiënt wil en wat de
arts bereid is te doen, is de enige oplossing het eens te zijn het niet eens
te zijn en ieder zijns weegs te gaan.35
|
|||||||||||||||||||||||||
| Terug | Volgende |